Liefde gaat lastig zonder hechting

Ervaringen met je moeder beïnvloeden de kwaliteit van je relatie(s)

De manier waarop je als volwassene een relatie aangaat, heeft alles te maken met de eerste ervaringen met liefde in je leven. De relatie met vooral onze moeder heeft grote gevolgen voor ons vermogen tot liefhebben.

Door Divyam Kranenburg

Als we ons voldoende kunnen hechten, zal dat ons optimaal toerusten voor verwerking van ervaringen, het aangaan van contacten, ervaren van intimiteit en de realisatie van een liefdevol leven. In de baarmoeder begint de symbiose met moeder, en wordt de basis gelegd voor de mogelijke latere hechting. Tot ongeveer acht maanden na de geboorte is moeder onze hele wereld. Een baby ervaart geen ‘ik’ maar ‘wij’. Vanuit de veilige aanwezigheid van moeder (of de belangrijkste verzorger) kan het de wereld gaan onderzoeken. Op grond van die vroege ervaringen ontwikkelen we bepaalde  hechtingspatronen.
Moeder opent zich helemaal voor haar baby; de symbiose is voedend en veilig. Moeder kan genieten van het diepe, intieme contact. De omgeving is stabiel, de behoeftes van de baby worden op een natuurlijke en vloeiende manier bevredigd, en de ouders en verzorgers hebben oog voor alle angsten en frustraties. Het kind durft, zodra het dat kan, op onderzoek uit te gaan, want het weet dat er een veilige basis is om naar terug te gaan. Er ontstaat een wederzijdse sterke en hechte band, waarop de rest van het leven kan worden voortgebouwd. Deze mensen hebben vertrouwen in zichzelf en anderen, en ontwikkelen een natuurlijk ritme in hun relaties. Het basisgevoel is veiligheid, vertrouwen en levensvreugde.

Vermijdende hechting
Als de moeder haar kind afwijst, ontstaat ‘vermijdende hechting’. Ze kan haar baby niet geven wat het nodig heeft. Misschien omdat het niet gewenst was, of omdat moeder om wat voor reden dan ook, niet in staat is er te zijn voor haar kind. Als dit het geval was, leerden we niet dat we er mogen zijn. We voelden ons alleen, en in de steek gelaten. Uiteindelijk worden we van binnen onverschillig en vijandig naar onze behoeften. Behoeften hebben, betekent immers alleen maar frustratie. We trekken ons terug en isoleren onszelf.
Ook later zien we onszelf als iemand die het wel alleen doet. Relaties zijn onbelangrijk. We kunnen alleen dieren of de natuur als hulpbron ervaren.
Om ons diepe trauma te verwerken, hebben we een sterke steungroep nodig: een nieuwe familie of groep waar we bij kunnen horen, om te ontdekken dat liefde en warmte wel bestaat. We kunnen leren ons weer te richten naar contact en verbinding. Geboortesessies, waarin we welkom geheten worden op deze wereld, kunnen helpen om meer aanwezig te zijn. Ook al hebben we ooit besloten om dat nooit meer te doen, toch ligt de heling in het weer uitreiken naar een ander, en te ontdekken dat we gewoon ook mens zijn, met behoeften en gevoelens. Als we ervaren dat er nu mensen zijn die ons wel aandacht en liefde kunnen geven, opent zich een nieuwe weg naar vertrouwen.
Het kan ook zijn dat moeder haar kind geen stevige basis geeft, omdat het niet kan vertrouwen op haar betrokkenheid. Ze is er dan wel, dan weer niet. Of ze draait de rollen om: het kind is er voor moeders eigen geluk. Ze is ambivalent of inconsequent. Deze moeder is niet in contact met de behoeften van het kind, maar met haar eigen behoeften.
De reactie van deze kinderen is meestal dat ze zich afsluiten, of juist gaan zorgen voor de gevoelens van moeder. Ze voelen zich verantwoordelijk, hebben geen idee wat hun ouders van hen willen, dus ook niet hoe ze het goed kunnen doen. Ze worden bang en onzeker om zich te hechten, blijven altijd waakzaam. Waarschijnlijk worden ze hoog sensitief.

Helend
Als wij zo’n relatie met moeder hebben gehad zullen we blijven hopen op moeders aandacht en goedkeuring. Er ontstaat een redelijk vertrouwen in dat we er mogen zijn, maar nooit helemaal. Als we beter ons best doen, zal moeder van ons houden. We gaan onszelf veranderen en perfectioneren. Later doen we ditzelfde in al onze contacten. Relaties zijn gebaseerd op hoop. Liefde betekent gericht zijn op de ander. Het is moeilijk om in contact met onze behoeften te zijn, het is eigenlijk niet goed om die te hebben.
Om te helen hebben we hulp nodig bij het ontwikkelen van de capaciteit om liefde, aandacht of steun te ontvangen. Natuurlijk voelen we ons in de steek gelaten, we hebben onszelf immers moeten verlaten. We moeten weer leren de aandacht op onszelf te richten, in plaats van op de ander. Nu we volwassen zijn, gaan we niet dood als iemand ons verlaat. Dat deel dat nog in het verleden gevangen zit, weet dat als het ware nog niet. De volwassene kan voor zichzelf zorgen en uitreiken naar mensen die wel betrokken zijn, en kan leren het kinddeel gerust te stellen.
Dit hechtingspatroon ontstaat als moeder een bron van angst, maar tegelijkertijd ook een bron van liefde is. Dit is het geval in misbruiksituaties. Moeder of de omgeving is onvoorspelbaar en onveilig. Het verlangen om te hechten wordt heel dubbel, omdat het kind niet weet of de nabijheid veilig is. De vrees wordt sterker dan de behoefte om dichterbij te komen. Niet alle voorbeelden van chaotische bindingen hebben hun achtergrond in misbruiksituaties. Als moeder heel angstig is, zal de identiteit van het kind zich opbouwen rond angst en onveiligheid. Een grote bron van angst in kinderen ontstaat door angstige ouders.

Veiligheid nodig
Op latere leeftijd zal het moeilijk zijn te bepalen of een contact veilig is, of het lijkt altijd nodig om te vechten of te vluchten! Aantrekken en afstoten is een bekend patroon.
Als we dit herkennen, wordt het helder waarom we zoveel eenzaamheid en angst ervaren. Door die herkenning kunnen we een nieuwe manier van relateren leren. We hebben veiligheid nodig en iemand die we vertrouwen, bij wie we er ook vanuit kunnen gaan dat hij of zij blijft. Door ons diepe wantrouwen vinden we dat moeilijk. Als we ons gesteund en gedragen voelen, zullen we de emoties en fragmenten die bij de traumatische ervaringen van vroeger hoorden, aan kunnen. Onze biologische impulsen zijn voortdurend in conflict: de aangeboren impulsen om ons te hechten, en de instinctieve impulsen om te overleven. Beide sterke impulsen moeten worden losgekoppeld van elkaar.
We hebben onszelf nooit kunnen beschermen of verdedigen, maar we kunnen dat leren. Dat wat niet voldoende ontwikkeld is, kan worden aangeleerd.
Het schijnt dat we worden geboren met in onze hersenen veel meer verbindingen tussen hersencellen voor het ervaren van plezier dan voor pijn. In de loop van onze ontwikkeling verandert dat. Verbindingen die niet worden gebruikt verdwijnen en worden vervangen door verbindingen die meer met pijn te maken hebben. We kunnen de receptoren voor plezier en voor pijn, zien als routes of weggetjes. Als een weg niet meer wordt gebruikt groeit hij dicht, en de paden die wel worden gebruikt worden steviger. Het goede nieuws is dat we altijd nieuwe neurologische verbindingen kunnen maken, die met een ervaring van liefde, geluk of plezier te maken hebben. Niet door te lezen of te denken, maar door plezierige ervaringen op een lichamelijke manier te ervaren, door te spelen, in de natuur te zijn, of samen met een geliefde te ontspannen. In therapeutische oefeningen en meditatie kunnen we leren hoe we positieve veranderingen in ons systeem kunnen realiseren.
We kunnen onszelf aanleren om niet steeds hetzelfde oude pijnpad te gebruiken, maar nieuwe wegen te zoeken die ons ergens anders brengen. Bijvoorbeeld de weg naar liefde en contact.

Uit: ‘De weg uit trauma kun je leren’ van Omkar Dingjan en Divyam Kranenburg. Bestellen via www.kd.nl. Info: www.aumm.nl.
Meer lezen: Omkar Dingjan en Divyam Kranenburg, ‘Je eigen-wijze weg’; Peter Levine en Maggie Kline, ‘Het weerbare kind’; Daniel Siegel, ‘The developing mind’.

Print deze pagina

Over de auteur

Bovenstaand artikel is geplaatst door de redactie van Koorddanser. Wil je de auteur van dit artikel een bericht sturen, mail dan naar redactie@kd.nl.

Laat een bericht achter

Je moet ingelogd zijn om een bericht te plaatsen.

Powered by Ambrix