“Ik ben zo eenzaam”, aldus God

aldus god

In den beginne was er waterstof. Ontelbare hoeveelheden atomen wervelden rond en klitten samen. De eerste zonnen ontstonden en explodeerden, in een orgie van oer geweld. Heel langzaam koelde het universum af. Met nieuwe zonnen en zelfs planeten. En te midden van al deze steeds complexere structuren werd Het wakker. En Het keek verwonderd om zich heen en zag dat het goed was.

 

Het zweefde voor miljarden jaren rond. En zo gebeurde het dat de kick van al dit nieuwe uitgewerkt raakte. “Ik ben eenzaam” mompelde Het melancholisch. En Het ging op zoek. In een obscure uithoek vond het wat ’t zocht. Een kleine ster met 8 planeten. De derde planeet was bedekt met een blauwe waas. “Water” fluisterde Het verrast. En ja hoor, dat water krioelde van leven, van triljoenen bacteriën. “Hallo lieverds” zei Het spontaan. Maar de bacteriën reageerden niet. “Oh, ik moet geduld hebben… het is niet anders”.

 

Twee miljard jaar verstreken. Maar voor Het was dat geen probleem. “Ik ben toch tijdloos”, dacht Het. Ondertussen waren er op de blauwe planeet bijzondere dingen gebeurd. Ondanks inslaande meteorieten had het leven zich ontwikkeld. Er liep nu zelfs op de hete savanne een tweebenig wezen rond. “Heel goed!” zei Het. “Zal ik nu eindelijk iemand vinden die mij herkent?” Ik ga me voorstellen maar dan wel in fragmentjes want anders zal dit kwetsbare wezen sterven. En zo geschiedde. Het wezen boog voorover en zei vol ontzag: “God”. En Het/god fluisterde: “Hallo mens…”

 

De mensen gingen op reis, ze wilden alles zien en begrijpen. En telkens als ze weer een fragment van God tegenkwamen, gaven ze het een naam. Ra, Isis, Marduk, Ishtar, noem maar op. Daar was God niet blij mee.

“Ho, ho, ik ben één, ik ben alles…”, aldus God.

“Nee”, zei de mens, “Jij bent fragment, en elk deel moet een naam hebben”.

“Zonde”, mompelde God, want hij voorvoelde dat dit tot een hoop gedoe zou gaan leiden.

En ja, het ging van kwaad tot erger. De mensen gingen van God beelden maken, eerst in hun hoofd en daarna met hun handen. Leken die beelden op God? Welnee, ze leken op de mens! En toen gingen ze die beelden ronddragen en ze schreeuwden: “Onze God is de beste…”

Dat zeiden ze dan van een miezerig stukje steen. God werd daar erg treurig van. “Ik lijd hieraan” besefte God opeens. “Weet dan niemand meer wie ik werkelijk ben?”

 

Af en toe was er een wijze die het zag. Ene Eckhart die zei: “God wordt pas God als de mensen God zeggen…” God jubelde het uit maar de vreugde was van korte duur. “Een gruwel”, schreeuwden de mensen en Eckhart verdween spoorloos. Toen kwam de moedige Spinoza, met een nog dieper inzicht. Er is geen afzonderlijke of persoonlijke God. Nee, God is Natuur! “Ah”, stamelde God, eindelijk. Wat een doorbraak, iemand die mijn ware natuur herkent. God moest even een traantje wegpinken. Maar er volgden nog meer tranen toen God zag hoe Spinoza in de synagoge werd vastgepakt en als ketter (dat schreeuwden ze) werd buiten geworpen. Zucht. En de gekte in de wereld woekerde maar door. Op zekere dag werd een kind opgehangen. Alle gevangenen moesten gedwongen toekijken. Eén van hen schreeuwde: “Waar is God nu?” En zijn buurman (een chassied) antwoordde: “Daar hangt Hij”.

 

Dan de vraag: kan Het, kan God lijden? En mijn antwoord is: Ja, continue.

Waarom?

1) Omdat de mensen van God een afgod hebben gemaakt.

2) Als God alles is, Natuur is, dan ervaart God alles. Alle vreugde, alle lijden, alle geboorte en alle dood verschijnt in Dat.

Zie dat.

 

 

René Fraters, renefraters@gmail.com

Print deze pagina

Over de auteur

Bovenstaand artikel is geplaatst door de redactie van Koorddanser. Wil je de auteur van dit artikel een bericht sturen, mail dan naar redactie@kd.nl.

Laat een bericht achter

Je moet ingelogd zijn om een bericht te plaatsen.

Powered by Ambrix