Een echte man worden

Want wat voor man ben ik? Lastig. Lastig. Een openhartig verslag van een zoektocht door sjamanistisch werker Jos Kester naar zijn manzijn. Een tocht die begon bij het kijken naar zijn vader.

 

Een aantal gebeurtenissen die met die zoektocht naar mijn manzijn te maken hebben, kan ik me nog levendig herinneren. Zoals die keer dat ik naast mijn vader sta en naar mijn moeder keek. Samen keken we naar haar. Ze draaide haar voet met haar nieuwe schoen alle kanten op. Het waren schoenen met hoge hakken, door mannen ontworpen om de kuiten van een vrouw mooi uit te laten komen. En alles aan mijn moeder werd er heel mooi van. Ik keek ook naar mijn vader. Naar zijn mooie lange gezicht en zijn haar dat hij strak achterover had gekamd. Ze vroeg hem of de schoenen haar goed stonden. Hij knikte. Hij wilde dat ze er mooi uit zou zien. Dat weet ik, omdat hij dat soms tegen haar zei. Ik probeerde me bij mijn vader op mijn gemak te voelen. Ik was hem gaan opzoeken omdat ik alles van hem wilde weten. Hoe hij at, hoe hij liep, hoe hij de hond riep, hoe hij auto reed, hoe hij zijn haar kamde, hoe hij naar mijn moeder keek, hoe hij met andere mannen sprak en hoe hij naar andere vrouwen keek.

Ik zag hoe mijn vader hartelijk met zijn broers omging en met de mannen die op het tuindersbedrijf kwamen. Ik zag dat hij diezelfde hartelijkheid had naar vrouwen, en er dan minder afstand was dan bij mannen. Het was alsof hij ze een beetje betoverde. Ze keken hem met lachende ogen aan en waren blij met zijn aandacht. Op de een of andere manier werd ik er ook blij van. Dan was er een lach in mij en voelde ik trots. Met mij, met mijn vragen en belangstelling wist hij minder goed om te gaan. Hij stuurde me doorgaans weg met: ‘Ga het je moeder maar vragen.’

 

Biggentest Pas veel later in mijn leven kwam ik erachter hoe boos ik daarover was. Dus trok ik destijds steeds meer naar mijn moeder, omdat zij tenminste antwoorden gaf op mijn vragen. Vragen over de kerk, over de burenruzies, over waarom de vrachtwagen die bij de buren de melk kwam ophalen, groen, wit en blauw was geschilderd.

Als jongetje neem je als vanzelfsprekend aan dat je vader zich nauwelijks met je bemoeit. Dat is blijkbaar zoals het hoort. Ik bleef wel naar hem kijken. En zodra de gelegenheid zich voordeed vroeg ik hem of ik mee mocht. Er was zo’n moment. Een moment waarop ik mee mocht en mijn mannelijkheid werd getest. We gingen naar zijn vader, mijn opa, die nog varkens hield. Er was een flink uit de kluiten gewassen big ontsnapt. Mijn vader, mijn opa, mijn ooms stonden in een kring rondom de big die in een hoek van de schuur stond te schreeuwen. De mannen zeiden dat ik er ook bij moest komen om de big te vangen. Ik vond het geweldig dat ze me vroegen erbij te komen. Maar tegelijkertijd was ik ook bang. Ik zag de ogen van de big wild in het rond draaien. En dat maakte het er niet beter op. Ze zeiden tegen me dat als hij mijn kant opkwam ik hem moest grijpen. En natuurlijk zag de big dat ik de zwakste schakel was. Hij kwam recht op me af om zich uit zijn benarde positie te bevrijden. Ik kon hem niet tegenhouden. De big schoot snel als de bliksem langs me heen. De mannen lachten om mijn schrik. Ik schaamde me dat ik de big niet had gegrepen. Ik was een jaar of zes.

 

Concurrent Later, veel later ben ik mijn mannelijkheid gaan testen met mijn broers en zwagers. Ik overwon mijn schroom om met ze te gaan tennissen. Ik had me lang verzet tegen mannendingen doen. Met mannen praten. Ik zocht ze niet op en kon veel beter met vrouwen overweg. Ik voelde me met vrouwen veel beter op mijn gemak. Mannen spraken over voetbal, werk en auto’s. Dat had niet mijn interesse. Ik wilde over mijn gevoelens praten, over de samenleving, mijn innerlijke wereld. Met de tennisavonden zag ik dat achter de façade die mannen opwerpen wel degelijk gevoelens schuil gingen. Over die gevoelens werd eerst gelachen. Pas als je doorvroeg gaven ze antwoord. Met een paar woorden dat wel. Ik kwam er langzaam achter dat het voor mannen in de eerste plaats belangrijk is om te weten wie je bent, waar je staat, of je blijft staan als het lastig wordt. Daarmee verdien je het respect van mannen. Dat je niet wegkijkt als er een directe vraag wordt gesteld. Of je alles wilt geven om te winnen. En dat je samen kunt lachen om onzinnige zaken. En dat kan alleen als er geen vrouwen bij zijn. Dat is wel een voorwaarde. Zijn die er wel dan gedragen mannen zich anders. Niet meer samen met elkaar, maar als elkaars concurrent.

 

De familieopstelling In ieder geval kreeg ik dit soort kansen. Ik ken veel mannen die dit alles hebben moeten missen. Ik had destijds mannen in mijn buurt die ik kon gadeslaan hoe ze zich in het leven bewogen. Mijn moeder bleef lang mijn aanspreekpunt. Mijn vader zag ik langzaam verdwijnen in zijn isolement, werk en een soort van lamlendigheid. Hij had het waarschijnlijk opgegeven zich tegen de dominantie van mijn moeder te verzetten, die naarmate hij meer en meer verdween, zich met steeds meer zaken moest gaan bemoeien. Ik schrapte hem uit mijn aandachtsveld.

Pas veel later kwam ik erachter hoe gewond ik was geraakt door zijn gedrag. Dat hij er niet was voor me. En ik zie veel mannen om me heen met diezelfde wond en stil verdriet hierover. Ze stoppen het weg, zoals ik het had weggestopt. Totdat ik tijdens een weekend van mijn opleiding Sjamanisme en Transformatie mijn familie mocht opstellen. Als laatste stelde ik mijn vader op. Tegenover me. Ik stelde hem een vraag. En op dezelfde aarzelende wijze gaf hij geen antwoord. Alles ontplofte in me. Ik vloekte, schold en wist niet dat ik zoveel boosheid in me had naar mijn verwekker. De docent zei dat ik de rest met mijn eigen vader moest uitzoeken. En dat ben ik gaan doen. Ik wist in eerste instantie niet hoe. Totdat ik als eerste actie mijn voorwaarden en verwachtingen naar hem bijstelde. Per slot van rekening kwam hij uit een totaal andere wereld.

 

Antwoord Waarschijnlijk had zijn vader, mijn opa, hem ook geen antwoord geven op vragen. Dus ging ik hem weer vragen stellen als ik met hem alleen was. En deze keer antwoordde hij wel. Niet een heel betoog. Een paar woorden. Meer niet. Het waren de momenten dat hij op een kist in zijn druivenkas een sjekkie rookte. Ik vroeg hem naar zijn shag. Rolde er een. Stak hem aan. Zwijgend keken we naar de druiven en rookten. Ik durfde hem eigenlijk niets te vragen. Het zat nog diep. Ik raapte al mijn moed bij elkaar en vroeg hem wat ik moest doen met mijn vriendin waar ik veel ruzie mee had. Hoe hij dat deed? Ik zie hem nog zitten. Hij keek naar de droge aarde onder zijn voeten. Keek op. Staarde in een oneindige diepte en zei: ‘Er is overal wel wat jongen. Ik zou me maar niet zo druk maken.’ En dan rookte we verder.

Uit die opmerking school een diepe frustratie. Dat die er was wist ik wel. Hij had geen mogelijkheid om bij haar weg te gaan. Dat kwam niet eens in hem op. Ik wel. Ik ging uiteindelijk wel weg omdat mijn vriendin te dichtbij kwam. Maar ik was blij dat hij me niet naar mijn moeder had gestuurd.

Later op zijn sterfbed heb ik echt met hem kunnen spreken. Ik heb hem, zoals mijn moeder later beschreef en wat zij weer van hem had gehoord, zijn hemd van zijn lijf gevraagd. En we hebben het over alles kunnen hebben. Over zijn vrouw, mijn moeder. Over zijn tuindersbedrijf waar zijn oudste zoon geen belangstelling voor had zodat hij het noodgedwongen moest verkopen aan zijn broer. Waarom hij me nooit als zijn tweede zoon had gevraagd of ik het familiebedrijf over wilde nemen. Hoe zijn relatie met zijn vader was geweest. Al die zaken passeerden die avond. En hij gebruikte geheel tegen zijn gewoonte in veel woorden. Ik heb hem in vrede kunnen laten gaan naar het land van zijn voorvaderen. Zonder wrok. Zonder woede.

 

Eerbetoon Na zijn overgaan, nog diezelfde dag ben ik met mijn broer naar het oude land gegaan waar hij was geboren en waar ook ik het eerste levenslicht zag. Naar aanleiding van die wandeling schreef ik onderstaande tekst, wat ik in de kerk heb voorgelezen als eerbetoon aan hem.

‘Ik loop over het oude land van mijn vader.

Land dat is doordrenkt met jouw bloed, zweet en tranen.

Hier ligt je blijdschap en verdriet, verscholen tussen wortels,

die mijn wortels zijn.

Hier ben ik geboren. 

Dit is het land van mijn vader.

In de donkere uren voor je dood

graaf ik naar de wortels van je bestaan.

Jouw bestaan, dat mij heeft gevormd tot de man die ik nu ben.

Jouw werken, dat mij heeft gemaakt,

mij heeft geleerd lief te hebben.

Ik loop over het oude land van mijn vader.

Hier ben ik geboren.

Hier keer ik steeds terug

om je te gedenken, wie je was,

wie je bent, op het oude land van jouw vader.’

 

Door Jos Kester

 

Meer: www.joskester.com.

 

 

 

 

Print deze pagina

Over de auteur

Bovenstaand artikel is geplaatst door de redactie van Koorddanser. Wil je de auteur van dit artikel een bericht sturen, mail dan naar redactie@kd.nl.

1 Reactie

  1. freudloert says:

    Heel herkenbaar, de passage over mannen en de moeizame wijze waarop zijn kunnen communiceren over hun gevoelens. Oorzaak van veel lijden.

Laat een bericht achter

Je moet ingelogd zijn om een bericht te plaatsen.

Powered by Ambrix