Gelijkmoedigheid: de eigenschap van wijzen

gelijkmoedigheid

De wijsgeer Patañjali, auteur van de Yoga Sûtras, zegt (sûtra 1,33): De geest wordt gezuiverd door vriendelijkheid (maitrî), mededogen (karunâ), blijdschap (muditâ) en gelijkmoedigheid (upekshâ) aan te kweken.

 

De vierde kwaliteit of deugd van wijzen is upekshâ. Soms ook vertaald als ‘onverschilligheid ten aanzien van tegengestelden’. Upekshâ is ook onverstoorbaarheid, gelijkmoedigheid, ongebondenheid, gelijkgestemdheid. In de wereld waarin wij leven wordt juist gebondenheid geprezen als een vorm van standvastigheid en loyaliteit. Maar in de gebondenheid aan onze meningen en overtuigingen is geen vrijheid. We hebben er overigens zelf voor gekozen en als we even niet opletten wordt de wereld van onze meningen en ideeën een gevangenis waar niemand blij van wordt.

 

Door Paul van Oyen

 

Het woord ‘gebondenheid’ geeft zelf al aan dat de mens is vastgeketend en gebonden als een slaaf in een slavenschip of als verslaafd aan een of andere drug waar hij niet vanaf kan blijven vanwege gebondenheid. Hier is geen enkele vrijheid, geen enkele mogelijkheid om in beweging te komen. Deze gebonden mens is doof, blind en kreupel. Dit zijn de mensen waarmee Jezus steeds te maken had en die weer konden functioneren door zijn energetische inwerking: maar spreek slechts een woord en mijn slaaf (knecht) zal gezond worden. (Mattheus 8,8). In de Katholieke eredienst van de eucharistie worden deze woorden tot op de dag van vandaag nog steeds herhaald.

Gelijkmoedigheid is een woord dat we niet vaak gebruiken in onze taal. Je kunt lang broeden op de werkelijke betekenis van gelijkmoedigheid en er zijn veel synoniemen voor. Eén van de synoniemen is ‘onverstoorbaarheid’. Dit kun je verschillend opvatten. Aan de ene kant is dit waar we allemaal naar op zoek zijn. Aan de andere kant associëren we onverstoorbaarheid vaak met vlak of gevoelloos. Soms lijkt het zo gemakkelijk onverstoorbaar te zijn. Ken je de uitspraken die erbij horen: ‘Ze doen maar, mij raakt het niet’, ‘Dat moet je lekker zelf weten’, ‘Dat is jouw probleem, niet de mijne’?  Maar gelijkmoedigheid heeft juist te maken met accepteren van het moment zelf. Dit betekent geen afstandelijkheid en geen zwelgen in, maar juist het houden van ‘overzicht’, zonder aanzien des persoons. Het is de spreekwoordelijke rots in de branding. De rots blijft onverstoorbaar in de branding staan, hoe wild de zee ook is.

In het Sanskriet betekent upeksha (upa + iksh) ‘boven de dingen uitkijken’ of het bewaren van over-zicht. Het is alsof je op een heuvel staat en neerkijkt op de wereld om je heen als een vogel. Dikwijls wordt upeksha beschouwd als ‘onverschilligheid’ naast ‘onverstoorbaarheid’ maar dat is een grote misvatting. Deze zogenaamde onverschilligheid is niet meer dan een opstapje naar geweld en onderdrukking. In onverschilligheid is geen greintje menselijkheid over, geen greintje zorg, geen greintje liefde en geen greintje vriendelijkheid. Wie onverschillig is ‘kan het niets meer schelen’. De vier kwaliteiten die de wijze Patañjali noemt (vriendelijkheid, mededogen, blijdschap en gelijkmoedigheid) zijn allemaal uitingen van het vermogen om door alle dingen heen, en ondanks de schijn van het tegendeel, een alles omvattende eenheid te zien. Naarmate de alomvattende eenheid helderder en intenser wordt, komt de vormloosheid van de ultieme werkelijkheid, het Absolute, steeds dichterbij. God als een man-met-een-baard heeft dan al lang afgedaan als een kunstje van kunstenaars.

 

 

Leidende principes

Wie in staat is om dat overzicht te bewaren, of er al dan niet bij toeval mee in contact te komen, kenmerkt zich op die momenten geenszins als iemand die door onverschilligheid of partijdigheid wordt gedreven, maar juist door een vermogen om het geheel te blijven overzien ondanks alle gebeurtenissen en de chaos die voortdurend plaatsvinden. Upeksha, gelijkmoedigheid is in feite een kenmerk van universele liefde. Wie een aantal kinderen heeft, kent geen voorkeur of afkeer maar heeft alle kinderen even lief. Zonder upeksha, gelijkmoedigheid, wordt liefde een kwestie van voorkeur en afkeer en daarmee komt men onherroepelijk terecht in de wereld van dualiteit waarin dingen enerzijds ‘omarmd’ worden  en anderzijds afgewezen. Alles wordt dan onderzocht of we van sommige dingen houden en die willen bezitten terwijl we andere dingen afwijzen. Bezit wordt dan een leidend principe om dingen al dan niet te waarderen. Wil je ze hebben of niet?

 

Maar in feite is het zo niet geregeld. We zijn allemaal in de wereld neergezet met een mengvorm van ‘goede’ en van ‘minder goede’ kwaliteiten. Daar zullen we mee moeten leren omgaan om uiteindelijk te ontdekken dat alleen gelijkmoedigheid – geen voorkeur en geen afkeer – soelaas biedt. Als we menen liefde te kunnen vasthouden en in de diepvries kunnen doen ‘voor later’ hebben we het echt mis. Want in de diepvries of in een blikje gaat de liefde onmiddellijk dood. Zij laat zich niet vangen want zij is per definitie vrij. Toch doen we dit maar al te vaak. Wij beroven onze geliefde van zijn of haar vrijheid en maken onze geliefde tot een speelbal van onze eigen wensen en verlangens. Zo wordt onze geliefde gereduceerd tot een staat van slavernij en hij of zij wordt onze slaaf of slavin die we op een slavenmarkt hebben gekocht als ons eigendom. Upeksha, gelijkmoedigheid ziet altijd een alomvattende eenheid en weet hoe wezenlijk die eenheid met vrijheid verbonden is. Gelijkmoedigheid is iets waar het leven je dagelijks in uitdaagt omdat het leven continu verandert. Wanneer het moeilijk voor je is gelijkmoedig te blijven, ligt de sleutel vaak in de andere kwaliteiten die Patañjali noemt: vriendelijkheid, mededogen en blijdschap.

 

 

Sophia

Gelijkmoedigheid rijst op uit innerlijke eenheid en vrede waar verschillen wegvallen omdat ze oplossen in één groot innerlijk weten. In die innerlijke eenheid is er geen verschil meer tussen onszelf en een ander en schijnbare verschillen vallen weg in alomvattend begrip. Hier daagt wijsheid, sophia. Deze gelijkmoedigheid stelt ons in staat om tot een veel grotere visie te komen die ons bevrijdt uit onze mentale gevangenis. Wanneer verschillen wegvallen rijst het besef ook op dat ons eigen geluk, onze eigen blijdschap tevens de blijdschap is van alle wezens om ons heen. Er bestaat een grote drang om daarin te delen. Dat besef is tegelijkertijd alomvattend en maakt dat wijsheid over ons afdaalt. Die wijsheid is het manna dat uit de hemel over ons afdaalt of de heilige geest die onze geest verlicht.

 

Paul van Oyen studeerde rechten aan de Universiteit van Amsterdam. Naast een loopbaan in het internationale bankvak bestudeerde hij in Londen praktische filosofie, advaita vedanta en de bijbel onder zijn leermeester Leon MacLaren. Thans wijdt hij zich vooral aan de praktische kant van de leringen van Shankara met een aantal initiatieven in de financiële wereld zoals samenwerking door middel van kredietunies en het herintroduceren van rentevrij financieren. Als discipel van ZH Shrî Bhâratî Tîrtha, Shankarâcârya, is hij nauw verbonden aan de Heilige Stoel (Pîtha) van Shringeri in Karnâtaka (Zuid India). Eerder verscheen in een vertaling van hem ‘Shankara de Rede als Bekroning’van Vivekacudamani. In september verschijnt een geheel nieuwe vertaling van de Bhagavad Gîtâ met zijn commentaar. Meer: www.pvanoyen.nl.

Print deze pagina

Over de auteur

Bovenstaand artikel is geplaatst door de redactie van Koorddanser. Wil je de auteur van dit artikel een bericht sturen, mail dan naar redactie@kd.nl.

Laat een bericht achter

Je moet ingelogd zijn om een bericht te plaatsen.

Powered by Ambrix