Wat is waarheid? – Door H.P. Blavatsky

Waarheid - Helena_Petrovna_Blavatsky

Ze stond meer dan een eeuw geleden aan de wortels van de theosofische beweging en haar visies zijn nog springlevend. Haar bekendste boek Geheime leer is in vele talen verspreid en wordt nog steeds verkocht. Over de waarheid schreef Blavatsky een artikel dat is opgenomen in een recente (her)uitgave van haar artikelen die we hieronder graag publiceren.

 

Door H.P. Blavatsky

 

Waarheid is de stem van de natuur en van de tijd
Waarheid is de verontrustende raadgever in ons
Niets is ervan verstoken, ze komt van de sterren,
De gouden zon, en elke bries die waait . . .
– W. Thompson Bacon, Thoughts in Solitude

De onsterfelijke zon van de schone waarheid is
Soms verscholen achter de wolken; niet dat haar licht
Zelf gebreken vertoont, maar het is verduisterd
Door mijn zwakke vooroordeel, mijn onvolmaakte geloof
En de duizend oorzaken
Die de groei van goedheid belemmeren . . .
– Hannah More, Daniel: A Sacred Drama, deel 2, 98-103

‘Wat is waarheid?’ vroeg Pilatus aan iemand die, als de aanspraken van de christelijke kerk ook maar bij benadering juist zijn, het moet hebben geweten. Maar hij bleef zwijgen. En de waarheid die hij niet bekendmaakte bleef voor zijn latere volgelingen evenals voor de Romeinse landvoogd ongeopenbaard. Het stilzwijgen van Jezus, bij deze en andere gelegenheden, belet zijn huidige volgelingen niet om te handelen alsof ze de hoogste en absolute waarheid hebben ontvangen. Het belet hen ook niet aan het feit voorbij te gaan dat ze woorden van wijsheid hadden gekregen die maar een deel van de waarheid bevatten, verborgen in gelijkenissen en duistere maar mooie spreuken. Jezus zei tegen de ‘twaalf’: ‘Aan jullie is het geheim van het koninkrijk van God onthuld, maar zij die buiten blijven staan, krijgen alles te horen in gelijkenissen’ (Marcus 4:11).

 

Absolute waarheid
Deze gedragslijn leidde geleidelijk tot dogmatisme en stellige beweringen. Dogmatisme in kerken, dogmatisme in de wetenschap, dogmatisme overal. De mogelijke waarheden, die vaag werden waargenomen in de wereld van abstracties, worden, evenals waarheden die worden afgeleid op basis van waarneming en experiment in de wereld van de stof, in de vorm van goddelijke openbaring en wetenschappelijke autoriteit opgedrongen aan gewone mensen die het te druk hebben om zelf na te denken. Maar vanaf de dagen van Socrates en Pilatus tot aan onze tijd van massale ontkenning staat diezelfde vraag nog open: bestaat er zoiets als de absolute waarheid waarover enige partij of mens kan beschikken? De rede antwoordt: ‘Die bestaat niet.’ Er is geen plaats voor absolute waarheid over welk onderwerp dan ook in een wereld die, evenals de mens zelf, eindig en van omstandigheden afhankelijk is. Maar er zijn relatieve waarheden en daarvan moeten we zo goed mogelijk gebruikmaken.
In elke eeuw zijn er wijzen geweest die de absolute waarheid kenden en toch slechts relatieve waarheden konden onderwijzen. Tot nog toe heeft namelijk niemand, geboren uit een sterfelijke vrouw van onze mensheid, de volledige en uiteindelijke waarheid aan iemand anders bekendgemaakt of zou dat hebben kunnen doen. Ieder van ons moet die (voor hem) uiteindelijke kennis in zichzelf vinden. Omdat geen twee denkers volledig gelijk kunnen zijn, moet ieder de hoogste verlichting door middel van zichzelf ontvangen, overeenkomstig zijn eigen kwaliteiten, en niet van een menselijk licht. De grootste levende adept kan van de universele waarheid slechts zoveel openbaren als het denkvermogen waarop hij inwerkt in zich kan opnemen, en niets meer. ‘Tot homines, quot sententiae’ (zoveel mensen, zoveel meningen) – is een onsterfelijke waarheid. Er is maar één zon, maar haar stralen zijn talloos. De gevolgen die worden voortgebracht zijn weldadig of schadelijk overeenkomstig de aard en samenstelling van de objecten waarop ze schijnen. Polariteit is universeel, maar dat wat polariseert bevindt zich in ons bewustzijn. Naarmate ons bewustzijn zich meer verheft naar de absolute waarheid, zullen wij mensen deze in ons opnemen. Het menselijk bewustzijn is daarentegen slechts de zonnebloem van de aarde. Terwijl de plant verlangt naar de warme stralen, kan ze zich alleen naar de zon keren en al ronddraaiend de baan volgen van het onbereikbare hemellichaam; haar wortels houden haar in de bodem vast, en de helft van haar leven wordt in de schaduw doorgebracht …

 

Waarheid bereiken
Toch kan ieder van ons relatief gezien de zon van de waarheid bereiken, zelfs op deze aarde, en haar warmste en meest rechtstreekse stralen in zich opnemen, hoe gedifferentieerd die ook zijn na hun lange reis door de fysieke deeltjes in de ruimte. Om dit te bereiken zijn er twee methoden. Op het fysieke gebied kunnen we onze mentale polariscoop gebruiken, en door het analyseren van de eigenschappen van elke straal de zuiverste kiezen. Op het gebied van spiritualiteit moeten we om de zon van de waarheid te bereiken heel serieus werken aan de ontwikkeling van onze hogere natuur. We weten dat door in onszelf geleidelijk de begeerten van onze lagere persoonlijkheid te verlammen, en daardoor de stem van ons zuiver fysiologische denkvermogen uit te schakelen – dat denkvermogen dat afhankelijk en onscheidbaar is van zijn hulpmiddel of voertuig, de organische hersenen – de dierlijke mens in ons kan plaatsmaken voor de spirituele mens. En zodra laatstgenoemde uit zijn latente toestand is gewekt, groeien de hoogste spirituele zintuigen en inzichten in ons en ontwikkelen zich tegelijk met de ‘goddelijke mens’. Dit is wat de grote adepten, de yogi’s in het Oosten en de mystici in het Westen, altijd hebben gedaan en nog steeds doen.
Maar we weten ook dat op enkele uitzonderingen na geen wereldse mens, geen materialist, ooit zal geloven in het bestaan van zulke adepten, of zelfs in de mogelijkheid van zo’n spirituele of psychische ontwikkeling. De oude dwaas zei in zijn hart: ‘Er is geen God.’ De tegenwoordige dwaas zegt: ‘Er zijn geen adepten op aarde, ze zijn verzinsels van onze zieke verbeelding.’ …

 

Relatieve en abstracte waarheid
We keren terug tot ons onderwerp. Uit het bovenstaande volgt dus dat hoewel voor velen van ons ‘algemene abstracte waarheid de grootste zegen’ is, zoals ze dat ook voor Rousseau was, we ons intussen met relatieve waarheden moeten tevredenstellen. In feite zijn we op zijn best een armzalig groepje stervelingen dat zelfs voor een relatieve waarheid altijd bang is, bang dat ze ons samen met onze kleine zielige vooroordelen zal verslinden. Wat absolute waarheid betreft, de meesten van ons zijn evenmin in staat om die te begrijpen, als om de maan te bereiken op een fiets. Ten eerste, omdat de absolute waarheid net zo onwrikbaar is als de berg van Mohammed die weigerde om voor de profeet van zijn plaats te komen zodat hij zelf ernaartoe moest gaan. En we moeten zijn voorbeeld volgen als we zelfs maar een beetje dichter bij die waarheid willen komen. Ten tweede, omdat het koninkrijk van absolute waarheid niet van deze wereld is, terwijl we zelf te veel van deze wereld zijn. En ten derde, omdat de mens, ondanks dat hij in de verbeeldingskracht van de dichter
… de abstractie is
Van alle perfectie, waaraan het vakmanschap
Van de hemel heeft vormgegeven …

in feite een armzalige bundel anomalieën en paradoxen is, een lege windzak opgeblazen met zijn eigen belangrijkheid, met tegenstrijdige en gemakkelijk beïnvloedbare opinies. Tegelijkertijd is hij een arrogant en zwak schepsel, en hoewel hij voortdurend bang is voor één of andere wereldse of hemelse autoriteit, is hij niettemin
… als een boze aap,
Die zulke fantastische toeren uithaalt ten overstaan van de hoge hemel
Dat die de engelen aan het huilen maken

(Shakespeare, Maat voor maat, 2de bedrijf, 2de toneel)

De waarheid is een juweel met veel facetten, die men onmogelijk allemaal tegelijk kan waarnemen, en geen twee mensen, hoe graag ze de waarheid ook willen ontdekken, kunnen zelfs maar één van deze facetten op dezelfde manier zien. Wat kan er dan worden gedaan om hen te helpen deze waar te nemen? Omdat de fysieke mens, aan alle kanten beperkt en gehinderd door illusies, de waarheid niet kan bereiken door middel van het licht van zijn aardse waarnemingen, zeggen we: ontwikkel in uzelf de innerlijke kennis.

 

Zichzelf kennen
Sinds de tijd dat het orakel van Delphi tegen de onderzoeker zei ‘Mens ken uzelf’, werd er nooit een grotere waarheid onderwezen. Zonder zo’n inzicht zal de mens zelfs voor veel relatieve waarheden eeuwig blind blijven, laat staan voor absolute waarheid. De mens moet eerst zichzelf kennen, d.w.z. de inzichten verwerven die ons nooit bedriegen, voor hij enige absolute waarheid kan beheersen. Absolute waarheid is het symbool van eeuwigheid, en geen eindig denkvermogen kan ooit het eeuwige bevatten; daarom kan geen enkele waarheid ooit volledig tot zo’n denkvermogen doordringen. Om de staat te bereiken waarin de mens haar ziet en beseft, moeten we de zintuigen van de uiterlijke mens van klei uitschakelen. Men zegt misschien dat dit een moeilijke taak is, en de meeste mensen zullen, in dat geval, ongetwijfeld liever tevreden zijn met relatieve waarheden. Maar zelfs het benaderen van aardse waarheden vereist in de eerste plaats liefde voor de waarheid omwille van haarzelf, omdat die waarheid anders niet zal worden herkend. En wie houdt in deze eeuw van de waarheid omwille van haarzelf? Wie van ons is bereid naar haar te zoeken, haar te aanvaarden en ernaar te leven in een samenleving waarin alles wat men wil laten slagen op uiterlijke schijn moet worden gebaseerd, en niet op de werkelijkheid, op arrogantie en niet op innerlijke waarden?
We zijn ons volledig bewust van de problemen om waarheid te verkrijgen. De mooie hemelse maagd daalt alleen neer op een (voor haar) geschikte bodem, de bodem van een onpartijdig, onbevooroordeeld denkvermogen, verlicht door zuiver spiritueel bewustzijn, en beide komen in beschaafde landen zelden voor. In onze eeuw van stoom en elektriciteit, waarin de mens leeft met een krankzinnige snelheid die hem nauwelijks de tijd geeft om na te denken, laat hij meestal toe dat hij van de wieg tot het graf naar beneden wordt getrokken, en wordt genageld aan het procrustesbed van gewoonten en gebruiken. Gebruiken zijn zonder meer aangeboren LEUGENS, want ze betreffen altijd het ‘veinzen van gevoelens overeenkomstig een algemeen aanvaarde norm’ (F.W. Robertsons definitie), en waar sprake is van veinzen, daar kan geen waarheid zijn. Hoe diepzinnig de opmerking van Byron is, dat ‘waarheid een juweel is dat op grote diepte wordt gevonden, terwijl aan het oppervlak van deze wereld alle dingen worden gewogen op de valse weegschaal van gewoonten’, is het best bekend aan hen die moeten leven in de verstikkende atmosfeer van zulke maatschappelijke gebruiken, en die zelfs wanneer ze bereid zijn en hun best doen om te leren, de waarheden waarnaar ze verlangen toch niet durven te aanvaarden uit angst voor de woeste moloch die de maatschappij wordt genoemd.

 

Afwezigheid
‘Waarheid!’ riep Carlyle uit, ‘waarheid, al zouden de hemelen mij verpletteren als ik haar volg, geen leugens, zelfs wanneer het hele hemelse luilekkerland de beloning voor afvalligheid zou zijn.’ Dit zijn edele woorden. Maar hoeveel mensen denken in onze 19de eeuw na, en durven te spreken zoals Carlyle dat deed? Heeft niet de grote meerderheid een voorkeur voor het ‘paradijs van lanterfanten’, een luilekkerland van harteloos egoïsme? Deze meerderheid deinst laf en doodsbang terug voor de vage contouren van elke nieuwe en onpopulaire waarheid, alleen uit angst dat mw. Harris de bekeerlingen van de waarheid zou aanklagen en mw. Grundy hen zou veroordelen tot de marteling om stukje bij beetje door haar moordlustige tong verscheurd te worden.

 

Fatsoen en egoïsme
Egoïsme, de eerstgeborene van onwetendheid, en het gevolg van de leer die zegt dat voor ieder pasgeboren kind een nieuwe ziel, gescheiden en verschillend van de universele ziel, wordt ‘geschapen’; dit egoïsme is de onoverkomelijke muur tussen het persoonlijke zelf en de waarheid. Het is de vruchtbare moeder van alle menselijke ondeugden, van de leugen geboren uit de noodzaak om te huichelen, en van hypocrisie geboren uit de wens om de leugen te verbergen. Het is de uitwas die met de leeftijd groeit en sterker wordt in elk menselijk hart waarin het alle betere gevoelens heeft verslonden. Egoïsme doodt elke edele impuls in onze natuur, en is de enige godheid die geen ontrouw of desertie van zijn volgelingen vreest. Daarom zien we dat egoïsme oppermachtig is in de wereld van de zogenaamde hogere kringen. Als gevolg daarvan leven we, bewegen we, en hebben we ons bestaan in deze god van duisternis onder zijn drievoudige aspect van schijn, bedrog en leugens, genaamd FATSOEN.
Is dit waar en een feit, of is het laster? Waar u ook kijkt, van de top van de sociale ladder tot aan de onderkant van de maatschappij, zult u zien dat in elk volk en ieder individu wordt gehuicheld en bedrog wordt gepleegd uit dierbaar eigenbelang. Landen hebben door stilzwijgende overeenkomst besloten dat egoïstische motieven in de politiek ‘edele nationale aspiraties, vaderlandsliefde’, enz., moeten worden genoemd, en de burger beschouwt dit in zijn familiekring als een ‘huiselijke deugd’. Egoïsme kan, of het nu het verlangen naar uitbreiding van het grondgebied voortbrengt, of concurrentie in zakendoen ten koste van onze medemens, nooit als een deugd worden beschouwd. We zien goed van de tongriem gesneden BEDROG en BRUUT GEWELD – de Jachin en Boaz van elke internationale tempel van Salomo – diplomatie genaamd, en we noemen haar bij de juiste naam. Want de diplomaat buigt diep voor deze twee pijlers van nationale glorie en politiek, en brengt hun vrijmetselaarssymboliek – ‘met [sluwe] kracht zal mijn huis worden gebouwd’ – dagelijks in praktijk. Dat wil zeggen, door bedrog verkrijgt hij wat hij niet door middel van geweld kan krijgen. Moeten we hem toejuichen? Een kwalificatie om diplomaat te zijn, namelijk ‘handigheid en bedrevenheid in het bemachtigen van voordelen’ voor het eigen land ten koste van andere landen, kan moeilijk worden bereikt door de waarheid te spreken, maar wél door een geslepen en misleidende tong; en daarom noemen we zo’n handelwijze een levende en evidente LEUGEN. Maar het is niet alleen in de politiek dat gewoonte en egoïsme het erover eens zijn om bedrog en leugens als deugden te bestempelen, en om degene die het beste liegt met openbare standbeelden te belonen. Elke klasse van de samenleving leeft van de leugen, en zou zonder deze uiteenvallen. Ontwikkelde, god- en rechtvrezende aristocraten, die even gek zijn op verboden vruchten als elke man van de straat, zijn verplicht om van ’s morgens tot ’s avonds te liegen om wat ze graag hun ‘kleine zonden’ noemen te verbergen; zonden die echter door de waarheid als grof immoreel gedrag worden beschouwd. De groep middenklassers bedient zich volop van valse lachjes, valse praatjes en wederzijds verraad. Voor de meerderheid is religie een dun laagje klatergoud geworden dat over het lijk van spiritueel geloof is geworpen. De baas gaat naar de kerk om zijn bedienden te misleiden; de uitgehongerde kapelaan – die iets predikt waarin hij niet meer gelooft – misleidt zijn bisschop; en de bisschop misleidt zijn God.

 

Goddelijke kennis
Politieke en maatschappelijke kranten zouden hun voordeel kunnen doen door de onsterfelijke vraag van Georges Dandin als motto te nemen: ‘Wie van ons tweeën wordt hier bedrogen?’ Zelfs de wetenschap, eens de reddingsboei van de waarheid, heeft opgehouden de tempel van de naakte feiten te zijn. Bijna eensgezind streven de wetenschappers nu ernaar hun collega’s en het publiek te dwingen één of ander persoonlijk stokpaardje of een nieuwerwetse theorie te aanvaarden, die dan glans zal geven aan hun eigen naam en faam. Een wetenschapper is in onze tijd net zo bereid om bewijzen de kop in te drukken die schadelijk zijn voor een gangbare wetenschappelijke hypothese, als een missionaris in heidens gebied, of een predikant in eigen land, om zijn gemeente ervan te overtuigen dat de moderne geologie een leugen is, en evolutie maar ijdelheid en een kwelling voor de geest …
Waar vinden we dan relatieve waarheid? Als ze in de eeuw van Democritus al aan hem verscheen in de vorm van een godin die op de bodem van een put lag, en wel zo diep dat er weinig hoop was op haar bevrijding, dan hebben we onder de huidige omstandigheden enig recht om te geloven dat ze minstens even ver verborgen ligt als de altijd onzichtbare donkere kant van de maan. Dit is misschien de reden waarom liefhebbers van verborgen waarheden onmiddellijk als dwazen worden beschouwd.
Theosofie is goddelijke kennis, en kennis is waarheid: elk waar feit, elk oprecht woord vormt dus een essentieel onderdeel van theosofie. Iemand die bedreven is in goddelijke alchemie, of zelfs maar enigszins is gezegend met een onderscheidingsvermogen voor waarheid, zal deze evengoed in een onjuiste als in een juiste bewering vinden en eraan onttrekken. Hoe klein het gouddeeltje ook is dat is zoekgeraakt in een ton afval, het is nog steeds het edelmetaal, en waard om te worden uitgegraven, zelfs al kost het wat extra moeite. Zoals gezegd is het vaak even nuttig om te weten wat iets niet is, als om te weten wat het wel is.
Als we dit nu samenvatten, dan kunnen we over absolute en relatieve waarheid slechts herhalen wat we eerder hebben gezegd. Met uitzondering van een bepaalde hoogspirituele en verheven geestestoestand, waarin de mens één is met het UNIVERSELE DENKVERMOGEN, kan hij op aarde niets anders bereiken dan relatieve waarheid of waarheden, uit welke filosofie of religie dan ook. Zelfs als de godin die op de bodem van de put verblijft, daaruit tevoorschijn zou komen, zou ze de mens toch niet meer kunnen geven dan wat hij in zich op kan nemen. Intussen kan iedereen naast die put gaan zitten, die KENNIS wordt genoemd, en in de diepte staren, in de hoop in de donkere wateren tenminste het mooie spiegelbeeld van de waarheid te zien. Hierin schuilt een zeker gevaar, zoals Richter heeft opgemerkt. Soms kan de plek waarop we ons concentreren een bepaalde waarheid weerkaatsen zoals een spiegel, en zo de geduldige student belonen. Maar, zo voegt de Duitse denker eraan toe: ‘Ik heb gehoord dat sommige filosofen op hun zoektocht naar waarheid, bedoeld om haar eer te betuigen, hun eigen beeld in het water hebben gezien en dat in plaats van de waarheid hebben aanbeden.’ . . .

Zodra theosofische waarheden een bepaalde grens van speculatie overstijgen, zouden ze beter verborgen kunnen blijven voor het publieke oog, want het bewijs van ‘onzichtbare zaken’ is geen bewijs, behalve voor degene die het ziet, hoort en voelt. Dat moet niet buiten het ‘heilige der heiligen’ worden gesleept, de tempel van het onpersoonlijke goddelijke ego, of het inwonende ZELF. Terwijl elk feit dat buiten zijn waarneming ligt, op zijn best, zoals we hebben aangetoond, slechts een relatieve waarheid kan zijn, kan een straal van de absolute waarheid zich alleen weerspiegelen in de zuivere spiegel van zijn eigen vlam – ons hoogste SPIRITUELE BEWUSTZIJN. En hoe kan de duisternis (van illusie) het LICHT begrijpen dat daarin schijnt?

 

 

Uit:

H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 3: 1887 – 1889, blz. 270-81
isbn 9789491433191, paperback, eerste druk 2017, bestel bij de (internet)boekhandel en bol.com.

© 2017 Theosophical University Press Agency

Print deze pagina

Over de auteur

Bovenstaand artikel is geplaatst door de redactie van Koorddanser. Wil je de auteur van dit artikel een bericht sturen, mail dan naar redactie@kd.nl.

Laat een bericht achter

Je moet ingelogd zijn om een bericht te plaatsen.