Een afvallige atheïst – interview

afvallige atheist Dennis Vanden Auweele

Dat maak je niet vaak mee: een atheïst die van zijn geloof valt. Ja, geloof. Want ervan uitgaan dat er ‘niks’ of geen god is, is eigenlijk net zo’n geloof als zeggen dat er ‘iets’ of een god is.

Is dit een wat simpele redenatie? Luister dan naar filosoof Dennis Vanden Auweele en hoe hij dit ziet. Erg boeiend verklappen we alvast.

 

 

Je bestudeerde als filosoof aan de KU Leuven “de perspectieven op godsdienst de laatste eeuwen”. Wat kun je daarover in een algemene conclusie of ultra-korte samenvatting vertellen?

“Eén van mijn grote filosofische interesses is om te proberen te begrijpen hoe het christelijk geloof in relatief korte tijd een enorme duik heeft genomen. De eerste zelfverklaarde atheïsten staken de kop op over heel Europa in de late 18e en vroege 19e eeuw – denkers zoal Percy Shelley, Arthur Schopenhauer en Denis Diderot. Wat voordien een scheldwoord was, ‘atheïst’, werd toen een eretitel. In mijn academisch onderzoek heb ik lang stilgestaan bij die overgangsperiode. Meestal denken wij dat de opkomst van het atheïsme gelijke tred houdt met de opkomst van de natuurwetenschappen, maar dat is te simplistisch. De eerste atheïsten waren vooral bezeten door ethische, politieke en existentialistische vragen. Het is pas laat in de 19e eeuw, en in de laatste decennia is het opnieuw opgekomen, dat atheïsme vooral in verband met wetenschappelijke vooruitgang wordt gebracht. Persoonlijk vind ik dat soort atheïsme behoorlijk oninteressant. Ik ga liever in debat met denkers die in religie niet allereerst een wetenschappelijke hypothese zien. Dit boekje is mijn poging om een aantal thema’s aan te snijden waar de religieuze mens en atheïst beide interessante dingen over te zeggen hebben. Ik denk dat een gedegen kennis van onze Europese ideologische geschiedenis ons daarbij kan helpen.”

 

Was je een atheïst? En hoe had je dat onderbouwd voor jezelf? Is dat altijd zo geweest?

“Ik ben katholiek opgevoed, misdienaar geweest in de lokale kerk, maar in mijn puberjaren kreeg ik een afkeer van de dogmatische zekerheid die ik aantrof bij zoveel religieuze mensen. Ze wisten veel te goed en te zeker hoe alles in mekaar zat. Toen maakte ik een harde bocht, naar een doorbloed atheïsme van verzet en twijfel. Ik denk niet dat ik echt een eigen positie had. Eerder, ik had er plezier in om alle zekerheid aan te vechten. Ik moest dus wel op een filosofiefaculteit terechtkomen.”

 

Is atheïsme niet ook een vorm van ‘geloven’? Waarin onderscheid atheïsme zich van het geloven volgens jou?

“Er zijn inderdaad vormen van atheïsme die dreigen met een overdosis zekerheid te spreken over alles waar het in deze wereld om draait. Van dat soort atheïsten had ik een afkeer. Ik denk dan aan een Richard Dawkins, Herman Philipse of wijlen Etienne Vermeersch. Hun lijkt mij een gevoel voor nuance en finesse te ontbreken. Mijn atheïsme was een manier om verzet uit te dragen, aan te geven dat de dogmatische antwoorden uit de traditie best wel eens een trap konden verdragen. Maar ik bleef wel op een niet-reductionistische manier naar de wereld kijken. Ik heb een hekel aan mensen die zeggen: ‘liefde is niets anders dan …’, ‘de mens is niets anders dan …’. Waarom alles zo reduceren, zo verkleinen?”

 

Waarvan ben je als atheïst eigenlijk “afgevallen”? Of: wat is nu je filosofie, geloof of levensovertuiging? 

“Ik had een doorbloed atheïsme. Voor mij geen fundamentalistisch atheïsme à la Dawkins of de indifferentie – het apatheïsme – dat ik bij vele generatiegenoten zie. Mijn doel was het verzet, niets als zeker aannemen. Maar zelfs dat was niet vol te houden. Geheel zonder fundament te leven is mij niet gegeven. Misschien dat anderen dat wel kunnen? Ik betwijfel het. Dat is wat ik bedoel met ‘afvallig’. Niet dat ik daardoor gedwee en dogmatisch terug katholiek ben. Daar zijn teveel bruggen voor verbrand. Ik kan alleen zeggen dat ik geen atheïst meer ben. In mijn boekje probeer ik een lans te breken om te schommelen tussen religieuze passie en sceptische twijfel.”

 

Aan welke denkers acht je je verwant dan wel schatplichtig?

“Ik denk dat de belangrijkste klassieke denker voor mij altijd Friedrich Nietzsche zal zijn. Dat lijkt misschien wat eigenaardig, vooral omdat hij bekend staat als één van de meest rabiate atheïsten. Mijn studie van zijn werk leerde me evenwel dat hij evenzeer kritisch staat tegenover een overdosis scepticisme. Dit leidt volgens hem naar walging en ressentiment. Men moet niet meer betwijfelen dan men kan verdragen. Verder ben ik natuurlijk ook door heel wat levende denkers beïnvloed, in de eerste instantie door het werk en de eindeloze gesprekken met mijn doktorvater William Desmond. Hij heeft bij mij terug een passie voor filosofische vragen kunnen aanwakkeren die dreigde uit te blussen naar het einde van mijn studentenjaren. “

 

Is er een god? Of is er een ‘iets hogers’? Hoe ga je met dit begrip, concept of idee om?

“Ik probeer die godsvraag zo snel mogelijk uit de weg te gaan. Ze werkt verdelend en plaatst meteen een wig tussen gelovige en atheïst. Ik begin liever te denken vanuit de ervaring, een ervaring die vaak iets religieus heeft. Ik bedoel dat we vaak de wereld op zo’n manier ervaren dat bepaalde elementen niet zomaar kunnen verklaard worden vanuit een puur immanente logica. Neem bijvoorbeeld de idee dat mensen een waardigheid met zich meedragen. Sommigen noemen dat een atavisme uit een lang vervlogen tijd, maar toch hechten we hier belang aan. Nagenoeg iedere democratische grondwet maakt op één of andere manier gewag van menselijke waardigheid. De Duitse grondwet, bijvoorbeeld, stelt in zijn eerste artikel dat de menselijke waardigheid onaantastbaar is.

 

Wat is die waardigheid precies? Waarop baseren we die? Is dat puur en louter omdat we tot een bepaalde species behoren, de homo sapiens?

“De verschillen met andere diersoorten zijn eerder beperkt. Is het dan omdat we rationeel (kunnen) zijn, kunstzinnig zijn of een taal hebben? Wel ja, als dat het geval is, dan hangt mijn waarde af van mijn beheersing van taal, kunst of rede. Dan ben ik misschien meer of minder waard dan iemand anders. Dan zouden kinderen per definitie minderwaardig zijn. Dat vloekt met ons gevoel in deze materie – wij vinden net dat de waardigheid van kinderen in het bijzonder beschermd moet worden.

Daarom noem ik de menselijke waardigheid liever een directe ervaring van een transcendente waarde die doorschemert in de immanente werkelijkheid. Iedere verklaring zal tekort doen aan dit fenomeen. Een goede godsdienst – ja, er is ook slechte godsdienst – probeert dan praktijken, ideeën en rituelen aan te bieden die deze transcendente ervaring beleven – niet: begrijpen. Bijvoorbeeld, in het christelijke geloof wordt de inherente waarde van de mens beleefd in rituelen zoals doopsel, naamgeving, communie enzovoort.”

 

En God?

“Ik heb nog steeds niet over God gesproken. Dat stel ik graag zo lang mogelijk uit. Wanneer ik me dan toch laat verleiden om over God te spreken, dan bots ik al snel op de beperkingen van de taal. Ik kan niet over God spreken op dezelfde manier als over het weer, haaruitval of de laatste successen van de Rode Duivels. Daarvoor staat God te dicht bij mij en tegelijk te ver af. Zoals Augustinus het zegt: ‘God is innerlijker tot mij dan mijn meest innerlijke intimiteit en hoger dan mijn hoogste top’.”

 

Wat vind je van het stoïcijnse idee dat alles meer een concept is dat uitsluitend plaats vindt in het hoofd van de mens?

“Er vindt heel wat plaats alleen in het hoofd van de mens. Neem nu bijvoorbeeld de ervaring van een kleur. We weten dat andere dieren kleuren erg anders ervaren. Dat heeft te maken met onze biologische ingesteldheid. Is die kleur dan ook aanwezig in de werkelijkheid? Of enkel in ons hoofd?

Ik snap de schroom niet om onze ervaringen niet serieus te nemen – het is overigens het enige dat we echt hebben. Alsof er een ‘ware werkelijkheid’ zou bestaan los van onze ervaring van de werkelijkheid. Zelfs als ‘het hogere’ alleen in ons hoofd zit, zie ik dat nog niet als een reden om het aan de kant te schuiven. En daarmee heb ik zeker niet gezegd dat religie enkel in ons hoofd zit.”

 

Welke boodschap wil je vooral met je boek meegeven?

“Lezers die een oplossing zoeken zullen bij mij eerder teleurgesteld zijn. Ik vermoed dat mijn boek te progressief is voor vele en te conservatie voor vele anderen. Bij theologen valt het zeker niet in goede aarde! Ik zou tevreden zijn als we terug met een zekere complexiteit over religieuze thema’s kunnen plaatsen. Niet meer de werkelijkheid zo uitvlakken tot wat er op de oppervlakte borrelt. Zolang er mensen zijn, zal er iets van religie zijn. Hoe dit precies ingevuld wordt, dat zal onherroepelijk veranderen. Dat is ook altijd veranderd. Maar het fundament zal blijven staan, een fundament waar je een leven op kan bouwen.”

 

Dennis Vanden Auweele (Ph.D.), schrijver en publicist, is als filosoof als postdoctoral researcher (FWO) verbonden aan het Institute of Philosophy, KU Leuven.

 

Meer lezen: ‘Bekentenissen van een afvallige atheïst’, Dennis Vanden Auweele (uitg. Polis).

Over de afvallige atheist.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Print deze pagina

Over de auteur

Bovenstaand artikel is geplaatst door de redactie van Koorddanser. Wil je de auteur van dit artikel een bericht sturen, mail dan naar redactie@kd.nl.

Laat een bericht achter

Je moet ingelogd zijn om een bericht te plaatsen.

Powered by Ambrix