Hoe Boeddha in mijn leven verscheen

boeddha

Kort na de val van de Han dynastie werd ik wakker met een barstende koppijn. Bloed overal. De geur van brandend hout. Er zat een man met een geel kleed aan over me heen gebogen.

“Niet bewegen”, zei hij, “u heeft een zware klap gehad.”

Toen verloor ik weer het bewustzijn. Dagen later kwam ik eindelijk een beetje bij. De man was er nog steeds.

“Wat is er gebeurd”, kraste mijn stem.

“Weet u niets meer?” Ik schudde van nee. “Soldaten hebben uw huis verwoest en u neergeslagen. Ze lieten u voor dood achter…”

Opeens flitsten er beelden door mijn hoofd. “Mijn vrouw, mijn kinderen!” riep ik.

Maar hij antwoordde niet. Toen wist ik het.

Weken later vroeg ik hem: “Hoe heet je eigenlijk en wat doe je hier?”

Hij glimlachte en zei: “Mijn naam is Nagarsena. Ik ben een monnik uit de school van de Boeddha. Vanuit India ben ik gekomen om de mensen te vertellen over de wijsheid van mijn leraar.”

“Ik heb van hem gehoord maar dat is dan ook alles. Vertelt u mij maar iets, ik lig hier toch maar.”

Hij keek me even aan. “Alles is vergankelijk, niets is blijvend. Dit is de kern van alles.”

Wat moest ik zeggen? De tranen liepen me over de wangen. Zo bleven we urenlang in stilte zitten. Hij kan dat zo goed. Ik kan daarnaar blijven kijken, deze man met de kracht van een berg. Het maakte me rustig ondanks alle pijn en verdriet.

“Laat het verdriet maar gewoon toe, je hebt zoveel meegemaakt. Als je je pijn onderdrukt dan word je ziek”, zei hij.

Ik vond zijn boodschap van de vergankelijkheid hard en waar tegelijk. Dus ik vroeg hem om nog iets daarover te vertellen.

“Er was eens een rijke boer met een mooi paard. Iedereen in het dorp zei: “jij boft toch maar.” Dan antwoordde hij: “We zullen zien…” Later liep het paard weg. “Oi oi oi, wat ben je een pechvogel.” En hij zei schouderophalend: “Ach, we zullen zien…” Toen kwam het paard terug met vijf wilde paarden achter zich aan terug. De mensen zeiden jaloers: “Jij bent een gelukkige man!” Hij zei: “We zullen zien.” Toen brak weer eens een oorlog uit en de zoon van de man werd voor het leger opgeroepen. Dat betekende vrijwel zeker dood of verminking voor de jongen. De mensen stonden weeklagend voor zijn huis en beweenden zijn lot. En weer zei de vader: “We zullen zien.” Toen brak de zoon zijn been en hij mocht als enige in het legerkamp blijven toen anderen moesten vechten. En nadat vader hiervoor alle gelukwensen had aanhoord zei hij weer: “We zullen zien…”

En hoe klote ik me ook voelde, ik moest toch even lachen…

Nagarsena gaf een korte toelichting: “Er is in dit leven geen enkele vaststaande zekerheid. Zelfs iets ergs, als het breken van een been, kan tot iets goeds leiden. Wij weten het niet. Daarom is het goed om je maar over te geven aan dat wat is. Want als je je verzet of boos maakt dan heb je twee problemen in plaats van één.”

Ik snapte de logica van zijn woorden maar mijn hart verzette zich ertegen.

“Logisch”, zei hij zachtjes, “je hebt net een traumatisch ervaring meegemaakt. Dat kost tijd. Neem aan wat je kan, de rest van mijn woorden laat je gaan. Ik wil je geen pijn doen. Let it go.”

“Het komt nogal hard en nihilistisch op me over. Is er geen blijde boodschap ergens, in die leer van de Boeddha?” Ik kon de spottende toon niet onderdrukken.

Nagarsena grijnsde van oor tot oor. “Ah, je wilt de voordelen horen? Goed, hier komt ie dan! Als je inziet dat alles, alle concepten en zelfs jij als afgescheiden persoontje vergankelijk en zelfs leeg zijn, dan kan je je ware aard herkennen.

“Ja, en dan…?

“Nou, dan ben je Jezelf.”

“En wat levert mij dat op?”

“Niets.”

Echt, ik zweer je, mijn mond viel hier open van verbazing. Nagarsena huilde. Ik keek hem verbaasd aan. Die gekke monnik, hij zat te huilen van het lachen.

“Sorry hoor, maar je had je gezicht moeten zien, echt grappig. Je keek alsof een berg goud opeens in een bult stront was veranderd.” Hij schudde zo hard dat hij zijn buik moest vasthouden.

En opeens begon ik ook. Ik huilde en lachte tegelijk. Er gebeurde iets toen. Ik zag het. Een inzicht. Maar vraag me asjeblieft niet wat ik zag want dan kom ik er niet uit.

Maanden later pakte hij zijn stok en bundeltje bij elkaar. Ik wist dat het zou gaan gebeuren, ik was inmiddels zo ver hersteld dat ik weer zelfstandig kon leven. Met krukken dat wel, maar alla… Ik maakte de lekkerste vegetarische hapjes klaar. Alles voor mijn vriend, mijn broer Nagarsena. Hij liep door mijn opgelapte huis en zegende de vertrekken. In de deuropening zegende hij mij: “Niet verdrietig zijn, we blijven voor eeuwig in liefde verbonden. En, hij keek een beetje stout, mocht je de Boeddha tegen komen…

“Ja”, zei ik verbaasd?

“… nou, dan dood je hem.” En met een bulderende lach stapte hij de weg op. Helemaal mesjogge die boeddhisten. Maar wat een geluk dat hij in mijn leven kwam! Echt waar.

René Fraters

 

 

 

 

Print deze pagina

Over de auteur

Bovenstaand artikel is geplaatst door de redactie van Koorddanser. Wil je de auteur van dit artikel een bericht sturen, mail dan naar redactie@kd.nl.

Laat een bericht achter

Je moet ingelogd zijn om een bericht te plaatsen.

Powered by Ambrix